De Thuishaaldertjes

Een Theaterproductie van de Cast, TGD en TIF

Achtergronden

Wie een baby wil hebben, Ga naar de haven…

Stadsomroeper Karel "de Kat" Buis - Foto H. Bedijs

Na de aanslag op Rauter, leider van de SS in Nederland, bij Putten, dat hiervoor door de Duitsers in het najaar van 1944 gedeeltelijk werd uitgemoord en platgebrand, besloot rijkscommissaris Seys Inquart de al met voedselproblemen kampende provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht geen voedsel te verstrekken. Door deze maatregel van de Duitse bezetters dreigden vooral kleine kinderen de oorlog niet te overleven tenzij er snel iets voor hen gedaan zou worden. Het waren dominee Gravemeyer en aartsbisschop De Jong die het initiatief namen om zoveel mogelijk kinderen te redden. Zij gingen naar Seys Inquart en legden hun plannen aan hem voor. De twee geestelijken wilden zoveel mogelijk kinderen met binnenvaartschepen vanuit Amsterdam naar de noordelijke provincies laten vertrekken, zodat ze nog een kans van overleven zouden hebben. De rijkscommissaris stemde toe.

Door Wouter Hendrikse - 1 mei 1976 (Trouw)

Stadsomroeper Karel "de Kat" Buis - Foto H. Bedijs
Stadsomroeper Karel “de Kat” Buis – Foto H. Bedijs

Kerkelijke leiders kenden er maar één die een dergelijke actie zou kunnen organiseren en ten uit voer brengen en dat was mevrouw Truus Weismuller-Meyer, een Amsterdamse die al voor de oorlog een geweldige ervaring had opgedaan met reddende kindertransporten. Mevrouw Weismuller gaf onmiddellijk haar volledige medewerking om het plan zo goed mogelijk uit te voeren. „Ik ging praten met walkapiteins en instanties, die voor het verkrijgen van vergunningen nodig waren. Omdat ik geen geld had vroeg ik of de schippers van de schepen. waarmede kinderen vervoerd zouden worden, alle kosten zelf zouden willen betalen, terwijl ze ook nog voor een sleepboot moesten zorgen. De schippers zagen gelukkig het belang in van de transporten, wilden graag helpen en stemden zonder een moment van aarzelen in, aldus Truus Weismuller.

Duizenden uitgehongerde kinderen kwamen met hun radeloze moeders naar Amsterdam: uit Rotterdam, Leidschendam en Schiedam en nog veel ander plaatsen. Een deel van de kinderen had geen papieren meer en deze zouden dus niet langs de controleposten kunnen komen op hun weg naar het leven. Truus Weismuller had echter zo haar manieren om de kinderen zonder papieren langs de Duitse bezetter te krijgen. „Wanneer ik werd opgebeld door de sluiswachter van Oranjesluizen in Amsterdam vroeg ik altijd meteen of er geestelijken bij het transport waren. Die hadden namelijk nog wel eens een kruikje jenever bij zich. Dan ging ik met die jenever naar de Duitse wachtcommandant en zette die kruik achteloos op zo’n bureau neer met de woorden: „Ach, houdt u die fles maar, wij dames drinken dat spul toch niet”. In ruil voor die kruik liet hij dan de papierloze kinderen door. De jenever hielp natuurlijk niet altijd en bovendien was er vaak geen sterke drank. Als de Duitsers toch moeilijk gingen doen zei ik ze gewoon dat de oorlog niet zolang meer zou duren en dat de rollen dan omgekeerd zouden zijn. De Duitsers knikten dan en lieten de kinderen toch door”, zegt mevrouw Weismuller glimlachend.

Huilende moeders

Hartverscheurende taferelen hebben zich afgespeeld op de kade van van rederij Van Es en Van Ommeren. Huilende moeder die daar hun hongerend kind in de ruige armen legden van een schipper, niet wetend of ze het ooit nog zouden terugzien. Van de vele schepen die ’s nachts met hun trieste lading over het IJsselmeer voeren is er één schip extra het vermelden waard: dat is de Groninger vrachtboot “Anjo”. Dit schip vertrok op een mistige koude avond van uit Amsterdam naar Lemmer met honderd uitgemergelde babies aan boord. Gedwongen door de mist en het slechte weer besloot kapitein Polman uit te wijken naar Enkhuizen en de volgende dag door te varen naar de oorspronkelijke plaats van bestemming. De “Anjo” zou echter nooit met zijn kostbare last in Lemmer aankomen. De tachtig-jarige mevrouw Weismuller kan het zich nog allemaal heel precies herinneren. „Ik werd altijd opgebeld als een schip de plaats van bestemming had bereikt ‘Van de Anjo hoorde ik echter niets. Ik ben duizend doden gestorven. en heb me de meest waanzinnige gedachten in het hoofd gehaald, Was het schip gezonken of dreef het ergens op het IJsselmeer rond? Toen ik hoorde dat het schip Enkhuizen was binnengelopen ben ik er meteen naar toe gereisd om te kijken hoe het met de kinderen ging”.

Tranen schieten haar in de ogen als ‚te terug denkt aan die dag dat ze naar de haven liep waar het schip lag. Grote stoere Enkhuizer vrouwen versperden de toegang naar de haven voor iedereen die er niets te zoeken ‚had. Wat was er namelijk gebeurd nadat de Anjo was binnen gelopen? Enkhuizer huisarts B. van der Heide was onmiddellijk nadat het was binnengelopen aan boord gegaan van de Anjo. Vreselijk geschrokken besefte hij dat de meeste baby’s in deze mensonterende omstandigheden de volgende dag niet zouden halen.

Hij liet onmiddellijk Karel Buis, de stadsomroeper‚ alarmeren die meteen op pad ging met zijn bel „Ruim drie en een half uur liep ik door de straten van Enkhuizen. de hele tijd: „In de haven schip met babies, kinderen die verhongeren. Een schip uit Amsterdam. Wie een baby wil hebben, “Ga naar de haven…Dekens meenemen.” Uit vrijwel alle huizen kwamen vrouwen die zich met dekens naar de haven spoedden om een uitgehongerde baby in ontvangst te nemen”, aldus stadsomroeper Karel Buis. Karel Buis is nu 31 jaar nog steeds stadsomroeper van Enkhuizen‚ al hoeft hij door de voorgang van de techniek niet meer zoveel om te roepen.

Zwakste kindje

Dokter Van der Heide. die als een van de eersten aan boord was van het vrachtschip zou later zeggen dat hij niet had verwacht dat de babies de ontberingen zouden overleven. Dankzij de liefde en vastberadenheid van de vrouwen van Enkhuizen kwamen de kleintjes er op één na weer bovenop. Voor dat ene kindje kwam de hulp te laat, het stierf door honger en uitputting. Na de oorlog werden vrij wel alle honderd kinderen weer door hun dankbare ouders opgehaald. Een bleef echter in Enkhuizen. Het was het zwakste Kindje van het hele transport. Het paar maanden oude kind werd opgenomen in het gezin Loots. Mevrouw Loots was onmiddellijk na de oproep van omroeper Karel Buis naar de haven gegaan om ook een baby onder haar hoede te nemen. Ze kreeg van dokter Van der Heide een klein hoopje in een deken mee. Terwijl ze het kind stevig in haar armen klemde kon ze zich niet, bedwingen en moest even kijken wat ze gekregen had. Dat de babies er slecht aan toe waren wist ze wel, maar dat het zó erg zou zijn had mevrouw Loots ‚niet verwacht. Op de boerderij De Drie Zalmen begon ze de strijd tegen de dood. En ze won. Het zieke babietje, dat leed aan een ernstige vorm van hongeroedeem, kreeg eetlepeltjes water waar 1/3 deel melk door heen gemengd was.



Dokter Van der Heide – Foto H. Bedijs

In het begin was zelfs deze „overdadige” voeding nog te veel en het meisje leek het niet te zullen halen. Doch dat het doorzettingsvermogen en de liefde van de Enkhuizer pleegmoeder bleef Dolly in leven. Als enige werd zij na de oorlog niet door haar ouders opgehaald. Ze bleef wonen bij de familie Loots die haar als dochter en zus beschouwden. Dolly is nu een gelukkig getrouwde vrouw met vier kinderen. „Toen ik ongeveer een jaar of twaalf was vertelden mijn ouders me dat ik geen echt kind van hen was. Ze legden me uit hoe ik in huis was gekomen,” aldus mevrouw Over De Linden. „Mijn vader, de heer Loots‚ heeft nog wel geprobeerd mij zijn eigen naam te geven maar dit ging niet meer omdat het leeftijdsverschil tussen mijn pleegouders en mij te groot was. Het heeft mijn vader erg aangegrepen dat hem dit nooit is gelukt. Voor mij maakt het niets uit of ik nu officieel een kind van ze ben of niet. Zij zijn mijn ouders geweest, en niemand anders.”

Huwelijk

Dolly Loots is slechts één maal met haar echte ouders geconfronteerd. Dat was toen zij ging trouwen met Bram Over De Linden Aangezien zij nog minderjarig was, moest ze toestemming hebben van haar officiële/ouders. Dezen waren echter uit elkaar gegaan en dientengevolge moeilijk op te sporen. De gemeente Enkhuizen zette er zich voor in en vond ze. Dolly’s vader stemde vrijwel meteen toe: haar moeder wilde niet tekenen. Na veel heen en weer gepraat gaf zij uiteindelijk toch toestemming, maar pas op het laatste moment. Terwijl Dolly en haar toekomstige man met familie stonden te wachten in het Enkhuizer stadhuis, stuurde de burgemeester een ijlbode naar Amsterdam om de toestemming te halen. Daarna kon het jonge stel in de echt worden verbonden In de trouwzaal zat , een beetje achteraf het Amsterdamse raadslid mevrouw Weismuller-Meyer. Ze kon met moeite haar tranen bedwingen. Dit was, zolang na de oorlog, het mooiste geschenk dat tante Truus ooit kreeg.

  Lees Meer

‘Tante’ Truus Weismuller – Meyer Moeder van 32.000 kinderen

“Tante Truus” Weismuller- Meyer is onlangs tachtig jaar geworden. Deze vitale Amsterdamse is een opmerkelijke vrouw. Vrijwel haar hele leven lang heeft zij zich ingezet voor mensen, die op de een of andere manier in nood verkeerden. De meeste faam heeft zij zich verworven door het redden van joodse kinderen voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tante Truus wordt wel eens de moeder van 32.000 kinderen genoemd. Het is het aantal kinderen dat zij in die periode uit de handen van de Duitsers heeft gered. De eerste joodse kinderen haalde zij bij de Nederlands-Duitse grens vandaan.

Door Wouter Hendriksen - 1 mei 1976 (Trouw)

Zij reisde dan naar Limburg en verborg een kind onder haar rokken. “De douane wist eigenlijk wel dat ik iets deed wat niet mocht, maar ze durfden toch niet aan een dame te vragen haar rokken op te tillen”. Zegt mevrouw Weismuller glimlachend. Later werd haar door vooraanstaande Nederlandse joden gevraagd of ze kindertransporten uit het toenmalige nazistische Duitsland en Oostenrijk wilde halen. Zo leidde Tante Truus op 17 november 1938 het eerste kindertransport vanuit Duitsland naar Nederland, waarna de kinderen naar andere landen werden vergebracht.

Mevrouw Weismuller, jaren lang Amsterdams raadslid voor de VVD geweest, was, en is, voor niemand bang. In Wenen onderhandelde zij met de jodenvervolger Eichmann, die jaren na de oorlog in Israel werd opgehangen wegens zijn oorlogsmisdaden, over het transport van 10.000 joodse kinderen naar het in 1938 nog vrij zijnde westen. Tante Truus was echter alleen naar Wenen gekomen om te onderhandelen.

Eichmann vond dat deze eigenwijze vrouw maar eens een lesje moest hebben en besloot haar in een tijdsbestek van een paar dagen 600 kinderen mee te geven. Hij had gedacht dat haar dit nooit zou lukken en dat was ook heel aannemelijk. Het lukte mevrouw Weismuller echter wel. “vijfhonderd kinderen kon ik kwijt in Engeland, terwijl de overige honderd in Nederland werden ondergebracht. Die laatsten hebben de oorlog niet overleefd.” Vanaf die tijd reisde deze fantastische vrouw twee keer per week naar Keulen en twee keer‘ per week naar Osnabrück‚ elke keer zo’n 150 kinderen met zich meenemend.

Tante Truus heeft in vrijwel elk Europees land wel een keer in de gevangenis gezeten. In Nederland het meest. Dit omdat zij als een van de weinigen durfde te zeggen wat er nu werkelijk gebeurde in Duitsland en Oostenrijk.

Nu, meer dan dertig jaar verder, is mevrouw Weismulier nog steeds druk in de weer, voor allerlei instellingen waar zij in het bestuur zit. Een ernstige teleurstelling heeft zij kort geleden moeten verwerken toen het door haar in 1954 opgerichte ziekenhuis Beatrixoord op 1 april moest sluiten op order van staatssecretaris Hendriks. Volgens deze regeringsfunctionaris zijn er in onze hoofdstad te veel ziekenhuisbedden. De kleinere ziekenhuizen moeten daarom maar verdwijnen.

Mevrouw Weismuller, vindt dit echter allemaal onzin. Volgens haar worden nog steeds patiënten naar Baarn overgebracht omdat in Amsterdam te weinig plaats is. Ze is nu bezig de inboedel van Beatrixoord een goede bestemming te geven. Eenentwintig april werd Tante Truus tachtig jaar. Haar verjaardag werd gevierd met een simpel borreltje, “want er moet gewerkt worden”.

Nog steeds is deze fantastische vrouw voor mensen die het minder goed hebben in de weer. Een van de meest opzienbarende kindertransporten‚ waar mevrouw Weismuller aan heeft meegewerkt is die van een honderdtal uitgemergelde kinderen die vanuit Amsterdam per schip over het lJselmeer naar Lemmer vervoerd moesten worden. Ze kwamen nooit in Lemmer aan. Wel in Enkhuizen, waar binnen een uur pleeggezinnen werden gevonden.

  Lees Meer

Anjo Baby Dolly bleef in Enkhuizen

Dolly Loots

Mevrouw G. Wijsmuller-Meyer heeft in de oorlogstijd het leven van duizenden kinderen gered. De meeste daarvan waren joodse kinderen. In maart 1945 was zij aan boord van de Groninger vrachtboot ’Anjo’. In het ruim lagen op wat stro honderd uitgehongerde Amsterdamse baby’s. De jongste nauwelijks veertien dagen oud, de oudste misschien een jaar, maar het door de honger perkamentachtig getrokken gezichtje zou doen vermoeden dat ook dit een kind van slechts enige weken oud was.

Door Cor Westerveld - Kroniek van Enkhuizen

Tante Truus – gehard in haar jarenlange strijd om het kind in verdrukking en ontbering – klemde de lippen op elkaar. Tientallen keren had zijn de armen uitgestrekt en van radeloze en snikkende moeders, grootmoeders of tantes op de steigers van ’Van Es en Van Ommeren’ aan de Amsterdamse Ruyterkade een bundeltje aangepakt en dat gelegd in de licht-wiegende reuzenkribbe. Een extra luier, een hemdje, verfrommeld tot een pakje, was met een touwtje of een lintje aan een armpje gebonden, maar ook een kaartje, waarop een naam, een adres, een geboortedatum stond. Bijna alle kaartjes vermeldden: geboren in het begin van 1945.

HARTVERSCHEUREND

De moeders hadden hun borelingen afgegeven voor een tocht naar het noorden, waar voedsel was; aardappelen, spek, bonen en melk, vooral melk. Met lege handen en lege harten liepen ze apathisch over de kade. Met een zacht lijntje werden ze van de steiger geloodst. Hartverscheurende taferelen hebben zich afgespeeld op de kade. Huilende moeders die daar hun hongerende kind in de ruige armen legden van een schipper, niet wetend of ze het ooit nog zouden terugzien…

De avond viel, de verstilde haven met haar kranen als lugubere grijparmen, als gretige klauwen van de dood, vormde de laatste aanblik. Er moest in sleep en in duister worden gevaren over het IJsselmeer, naar Friesland en Groningen, waar de barmhartigheid wachtte…

De Anjo vertrok op een mistige koude avond vanuit Amsterdam naar Lemmer met honderd uitgemergelde baby’s aan boord. De Anjo lag achter de sleper, haar korte kielzog, op weg naar de Oranjesluizen, was als een spoor van leed. Bij het schutten huilden enkele kinderen maar heel zachtjes. Er was niet één zuigfles met ondermelk aan boord. Niet één fles voor honderd mondjes, die amper of niet meer konden zuigen. Het was een donderdagavond in maart, die evenals de dag, die zou volgen, diep gegrift werd in het hart van de weinige volwassenen aan boord van de vijf verduisterde schepen, – de overige vier met grotere kinderen – op weg naar het land van belofte. Een uitzonderlijk kindertransport was begonnen, een van die vele hongervaarten over het IJsselmeer, die mensen in de kracht van hun leven grijs haar heeft bezorgd. Schipper Polman stond in zijn stuurhut met een brok in de keel. De nacht zou hopelijk zijn broze lading beschermen tegen het gevaar van vliegtuigen. Ze ronkten hoog in de lucht, als bizarre nachtvlinders. Een dikke wattendeken legde zich ter zijde van Marken over de binnenzee. Ogenschijnlijk als een waas van mededogen, maar verraderlijk en onheilspellend in haar geruisloosheid. Jachtschipper Bouke van Wijk – zestien hongervaarten in de nacht! – wist dat de Lekerhoek op komst was. De oversteek naar Staveren was ondenkbaar. Ze moesten op het Krabbersgat aankoersen en Enkhuizen binnenlopen dat enige uren tevoren, aan zijn havenkant gebombardeerd was. Maar wie wist dat?

LUIERS

Bouke van Wijk ging door met teilen vol zeewater te scheppen; zo goed en zo kwaad ging men door met luiers wassen. De deinende scheepskribbe zette koers naar de havenhoofden van Enkhuizen, dat geen Drommedaris meer scheen te bezitten, maar dat achter de dijk moest liggen, dromend van zijn vergane voorspoed. Die vrijdagmorgen ankerden de Anjo en de andere schepen, die later wel zouden oversteken, bij de Afslag.

Mevrouw Wijsmuller werd altijd opgebeld als een schip de plaats van bestemming had bereikt, maar van de Anjo hoorde ze echter niets. Ze stierf duizend doden en haalde zich de meest waanzinnige gedachten in het hoofd. Was het schip gezonken of dreef het ergens op het IJsselmeer rond? Toen zij hoorde dat het schip Enkhuizen was binnengelopen, is zij er meteen naar toe gereisd om te kijken hoe het met de kinderen ging.



Dolly als peuter op de Melkmarkt

Grote stoere Enkhuizer vrouwen versperden de toegang naar de haven voor iedereen die er niets te zoeken had. De Enkhuizer huisarts B. van der Heide was onmiddellijk nadat het schip was binnengelopen aan boord gegaan van de Anjo. Vreselijk geschrokken besefte hij dat de meeste baby’s in deze mensonterende omstandigheden de volgende dag niet zouden halen. Hij liet onmiddellijk stadsomroeper Karel Buis (’de Kat’) alarmeren, die meteen op pad ging met zijn bel. Ruim drieëneenhalf uur liep Karel door de straten van Enkhuizen. Hij riep de hele tijd: “In de haven ligt een schip met baby’s, kinderen die verhongeren. Een schip uit Amsterdam. Wie en baby wil hebben, ga naar de haven… Dekens meenemen.”

Uit vrijwel alle huizen kwamen vrouwen die zich met dekens naar de haven spoedden. Voor een kindje kwam de hulp te laat, het stief door honger en uitputting.

THEELEPELTJES

Na de oorlog werden vrijwel alle kinderen weer door hun ouders opgehaald. Een bleef echter in Enkhuizen. Het was Dolly, het zwakste kindje van het hele transport. Het paar maanden oude kind werd opgenomen in het gezin Loots in de boerderij aan De Drie Zalmen. Het zieke baby’tje, dat leed aan een ernstige vorm van hongeroedeem, kreeg theelepeltjes water, waar een derde deel melk door heen gemengd was. Dolly leek het niet te zullen halen. Maar dankzij het doorzettingsvermogen en de liefde van de Enkhuizer pleegouders bleef Dolly in leven. Als enige werd zij na de oorlog niet door haar ouders opgehaald. Ze bleef wonen bij de familie Loots.

Twaalf jaar later vertelden haar pleegouders dat zij niet hun echte kind was. Slechts eenmaal is Dolly met haar echte ouders geconfronteerd. Dat was toen zij ging trouwen. Aangezien ze nog minderjarig was, moest ze toestemming hebben van haar officiële ouders. Dezen waren echter uit elkaar gegaan en dientengevolge moeilijk op te sporen. De gemeente Enkhuizen zette zich er voor in, en vond ze. Dolly’s echte vader stemde in met het huwelijk, maar haar moeder wilde niet tekenen. Na veel heen en weer gepraat gaf zij uiteindelijk toch toestemming. De burgemeester van Enkhuizen stuurde een ijlbode naar Amsterdam om de toestemming te halen.

Dolly Loots trouwde met Bartholdus Over de Linden. Mevrouw Wijsmuller, eens de beschermengel van die honderd kleine, uitgeteerde schepelingen, hield de huwelijkstoespraak, die normaal wordt uitgesproken door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Zij overhandigde de bruid als bruidsgeschenk het boekje ’Geen tijd voor tranen’. En met deze aanbieding, zo sprak mevrouw Wijsmuller, wil ik de gehele burgerij van Enkhuizen eren en danken voor wat zij deed voor de in nood verkerende Anjo-baby’s.

  Lees Meer

Landingsvaartuigen oorzaak bombardement

De werf te Enkhuizen

Van de oorlogsjaren heeft het bombardement bij de haven en de Drommedaris de grootste sporen nagelaten in Enkhuizen en bij haar inwoners. Het is het eerste dat genoemd wordt bij herinneringen aan de tweede wereldoorlog, het heeft dan ook grote indruk gemaakt. Er vielen 23 doden en veel mensen weten nog precies hoe zij door simpel toeval de dood hebben ontlopen. De Duitse aanwezigheid in de haven zorgde voor een aanval van Engelse afkom. Afgelopen jaar kwam het bewijs hiervan op zeldzame foto’s naar voren. Op jonge leeftijd wist Dhr. De Haan de foto’s te bemachtigen.

Door Carina Jonker - Kroniek van Enkhuizen

Henk de Haan heeft twee waardevolle foto’s van de haven van Enkhuizen in zijn bezit. Na het bombardement moest alles in de haven opgeruimd worden, ook het kantoor. Daar vond Henk deze foto’s, met een Duitse stempel op de achterkant, hij heeft ze snel bij zich gestopt. Hierop staan landingsvaartuigen die de oorzaak zijn geweest van het bombardement. “Het had allemaal te maken met wat er voor de Duitsers gebouwd werd, hier op de scheepswerf. Ik ben daar eind 1943, als jongen van 14 komen werken. Mijn vader was namelijk slager en tijdens de oorlog was hij zo stout om te blijven slachten, tot hij werd verraden en opgepakt. Om te zorgen voor inkomsten thuis moest ik van school af en aan het werk.”



Frans Karemaker, Jo Kooy en Henk de Haan op de werf

Hij kwam op de werf terecht bij de timmerafdeling waar ze werkte aan Deense Kotters. “Deze schepen, volledig gemaakt van hout, deden dienst als mijnenvegers aan de kust. Wij timmerden de verblijven voor de manschappen en de officieren en onderofficieren. Met dikke platen hout van 5 of 6 centimeter die werden gestoomd om soepel te maken en zo te kunnen buigen in en om dat schip heen.

Schuilen in de landingsvaartuigen

“In de haven lagen ook landingsvaartuigen die gebruikt werden in de rivieren of aan de kust. Daar heb ik zelf nooit aan gewerkt, want die waren helemaal van ijzer, maar het bouwen en te water laten heb ik wel gezien.” Er werkte in die tijd heel veel mensen op de werf, eigenlijk het dubbele dan voor de hoeveelheid werk nodig was. Uit meerdere verhalen komt naar voren dat de Ortscommandant, die gestationeerd was in de huishoudschool op de kaasmarkt, heel soepel is geweest en veel door de vingers zag.

“Ik meen dat er op een gegeven moment zelfs zo’n 110 mensen werkten op de werf. Sommigen kwamen ’s morgens en die zag je niet meer, die kropen weg. De landingsvaartuigen hadden een dubbele bodem van vijftig centimeter. Er waren erbij die kropen in die dubbele bodem, zogenaamde hulp van de klinkgroep. Dat kon allemaal. De eigenaren van de werf, Van der Belt en Donker, konden goed overleggen met de Ortscommandant en hebben er zo voor gezorgd dat er veel mannen in Enkhuizen bleven in plaats dat ze ter werk gesteld werden in Duitsland. Toentertijd kon je vanaf je 19e naar Duitsland gestuurd worden, later al vanaf je 17e.”

“Als ik ook hout had moeten halen..“

Het bombardement kostte de afdeling van De Haan vijf man. De gebroeders Reus en schilder Van Kol. “We waren aan het werk en de gebroeders Reus kwamen bij ons vragen of we nog schrootjes nodig hadden. Als we die nodig hadden gehad was ik met ze meegegaan. Maar Jo Kooyman, mijn baas, riep dat we genoeg hadden. De gebroeders gingen samen naar de timmerafdeling, daarboven was de schilderwerkplaats, waar Van Kol aan het werk was. Toen de bommen gevallen waren zocht iedereen een uitweg. Maar die mannen in de werkplaatsen konden geen kant op en die synthetische verf brandde als ik weet niet wat.“

“We probeerde zo snel mogelijk de haven uit te vluchten. Waar nu het chinese restaurant zit had je vroeger Van der Zee, daarnaast zat een ijzeropslagplaats en daar zat een deur. Die kwam uit aan de Wilhelminabrugkant. Iemand voor ons had hem al stuk getrapt, het was namelijk een nooduitgang. Daarna konden we zo richting kat-en-hondsbrug rennen. Er gingen ook mensen onder de Drommedaris schuilen. Dat zeiden ze ook altijd tegen elkaar. ‘Als er wat gebeurt, dan gaan we naar de Drommedaris, want daar kan je niks gebeuren.‘ Maar daar lagen ook twee doden. Een van de bommen was precies voor de ingang gevallen en ze stonden in de poort.“

“Het was moeilijk de mannen in de werkplaats te identificeren, het was helemaal afgebrand. Een van hen was te herkennen aan zijn tabaksdoos. Vroeger had je tabaksdozen voor sigaren én voor tabak. Een van de gebroeders Reus had altijd pruimtabak in een hele bekende doos van Van Nelle, met een groot uitroepteken erop. Daar zaten zijn identiteitspapieren in, net als zijn stamkaart en etensbonnen. Daaraan hebben we kunnen zien wie Jan en wie Meindert was. Ja, dat was heftig hoor. Als wij toen ook hout nodig hadden gehad, was ik als loopjongen met ze meegegaan. Dat realiseer je je wel achteraf, dat het gewoon geluk is geweest dat ik niet ben meegegaan.“

  Lees Meer

LIEFDEVOL VERZORGD, DE ‘THUISHAALDERTJES’ VAN ENKHUIZEN

Dokter van der heide

Op 16 maart 1945 vaart een houten tjalk, De Anjo, de haven van Enkhuizen binnen. Een dag daarvoor was het grote bombardement op de Werf waar 23 mensen om het leven kwamen. De Anjo is vertrokken vanuit Amsterdam en heeft als eindbestemming Friesland en Groningen. Aan boord liggen 98 zwaar ondervoede baby’s op een laagje stro. De ouders hadden hun baby’s meegegeven omdat in Friesland en Groningen genoeg te eten was, daar zouden de baby’s bij mensen ondergebracht worden zodat zij konden aansterken.

Door Iris Vinkenborg - Kroniek van Enkhuizen

De Anjo komt tijdens de tocht in een dikke mist terecht en raakt de weg kwijt, er is geen eten en drinken aan boord en de schipper besluit een noodstop te maken in Enkhuizen. De stad komt onmiddellijk in actie, de burgermeester geeft Karel de Kat, de stadsomroeper, de opdracht om hulp te roepen. ‘Wie wil er een kindje voor één nachtje, voor zij verder reizen naar Groningen of Friesland, of voor een langere tijd opnemen en deze voeden? Er zijn 100 ondervoedde baby’s in de haven, kom zo snel mogelijk!’ Binnen een dag is de boot leeg en zijn de ‘thuishaaldertjes’ bij verschillende hulpzame Enkhuizers ondergebracht. Helaas is onderweg al een baby overleden.

Ook de familie Veenstra kon nog wel een mondje extra voeden en vingen een baby op. Aafke Kahlman-Veenstra was toen tien jaar maar ze herinnert zich het nog precies. “Mijn moeder stuurde mijn vader naar de haven en zij wilde het liefst een zo’n klein mogelijke baby. Op de boot stond dokter van der Heijde, hij verdeelde de kindjes onder de mensen.. In eerste instantie gaf de dokter een baby van ruim een jaar aan mijn vader, waarop mijn vader zei dat hij het liefst een zo’n jong mogelijk kindje wilde. ‘Kom dan maar mee’, zei de dokter en ze liepen naar beneden in de boot en daar lag ze in het stro, Ria Zegerius, slechts vier en een halve maand oud. Haar naam stond op een kaartje dat om haar nek hing en ze had een koffertje met wat kleertjes bij zich, waar een kaartje aan zat met haar adres in Amsterdam.”

Niet alle kinderen waren zo verzorgd achter gelaten als Ria, veel baby’s waren naakt en er was soms geen adres bekend. Zo ook het kindje dat de zus van mevrouw Postma had opgevangen. “Er was geen naam, geen adres, niets. Alleen een kaartje waar iets stond wat begon met Sam, de rest konden we niet lezen, mijn zus noemde haar maar Sampie. Het arme kind had zwarte vlekken op haar hoofd, mijn zus dacht dat Sampie vies was en besloot haar een flinke schrobbeurt te geven. De buurvrouw kwam even kijken naar het baby’tje en vroeg of alles goed ging. ‘Ja’, zei mijn zus, ‘alleen ze is zo vies en ik krijg die vlekken maar niet weg.’ De buurvrouw keek ontsteld naar Sampie en zei ‘Lieverd, ze is niet vies, het arme kind is zo dun, dat haar botten door haar huidje heen schijnen!’

De familie Veenstra zat klaar om het kindje te vertroetelen en Aafke wachtte in spanning af tot ze zou komen. “Mijn vader kwam binnen, legde Ria op tafel en sloeg de dekens open en toen zag ik haar voor het eerst, een lief, klein, lachend kindje met rode krulletjes. De hele buurt kwam op bezoek en iedereen nam iets mee, het leek wel of mijn moeder zelf een baby had gekregen!”

Ria begon flink te groeien en mevrouw Veenstra bezocht regelmatig het consultatiebureau. Ze besloot om Ria’s moeder een brief te schrijven, ‘als het mijn kind was, wilde ik ook weten waar ze verbleef en hoe het met haar ging’. Al snel kreeg de familie Veenstra een brief terug:

Dinsdag 26 maart 1945

Aan de pleegouders van Ria,

Ik heb zaterdag uw brief ontvangen en ben daar heel erg blij mee. Ik weet nu tenminste waar mijn kleinste meisje uithangt. Ik ben erg verdrietig geweest dat ik haar weg moest brengen maar door uw brief voel ik mij een heleboel gerust gesteld.
Mijn man is door omstandigheden bij mij weg, hij heeft zijn kindje nog nooit gezien en weet zelfs niet wat we hebben, dus begrijpt u wel dat het een hele stap voor me was ook nog mijn kindje weg te moeten doen.

Ik vind het heel leuk dat u zelf ook kinderen heeft. Het zal voor uw dochtertje wel fijn zijn, zo’n klein zusje erbij. Ik heb nog een zoontje van vier jaar, dat is mijne hele huishouding. Hij vraagt steeds of zijn zusje na de oorlog wel werkelijk thuiskomt. Hij is steeds bang dat u haar wilt houden.

Ook ben ik heel erg blij dat ze nu tenminste groeit, hier wou het maar niet en ik heb toch gedaan wat ik kon. Ik ben helemaal niet jaloers hoor, als u schrijft dat het zo’n schat is, daaruit blijkt ook weer dat zij in goede haven aangeland is.

Huilt zij bij u ook de hele nacht? Of zou het gekomen zijn door de slechte voeding?
Verder hoop ik dat wij nog eens na de oorlog goed kunnen maken wat u nu voor ons doet. Ik verkeer nu in omstandigheden dat ik absoluut niets doen kan, alleen mocht u soms eens een grote wollen slobbroek of zo iets dergelijks nodig hebben, dan kan ik die misschien wel eens meegeven maar zo’n vaart zal het wel niet lopen. Meisjes kleertjes heb ik helemaal niet, aangezien de eerste een jongen was en nu was er ook niets te krijgen. Maar ik vermoed dat ze zonder jurkje wel net zo lekker zal worden dan met.

Ook ben ik blij dat u met haar naar het consultatiebureau gaat, want dan blijft ze tenminste onder controle en kunt u haar gewicht ook eens schrijven want dat vind ik erg belangrijk.

Verder weet ik niets meer dan alleen de hartelijke groeten en voor mijn dochtertje Ria een heleboel kusjes van haar moeder en broertje.

Harry & Jennie

Zegerius- Vogels

De omstandigheden waar Jennie over schreef, hielden in dat haar man Joods was. Hij was in Limburg bij de ondergrondse gegaan en heeft zich daarna aangesloten bij de Prinses Irene Brigade. Na de bevrijding kwam Jack Zegerius terug naar Amsterdam, daar sloot hij zijn vrouw en zoontje in zijn armen, maar hij miste de baby. Op zaterdag 12 mei moet Jack naar Alkmaar en besluit daarna door te rijden naar Enkhuizen, hij wil Ria zo graag zien. “En zo stond Jack Zegerius die zaterdag opeens bij ons op de stoep, Ria lag op dat moment in de tuin in het zonnetje. Jack was blij dat hij haar even kon zien!”

Op 14 mei werd Ria ziek en het werd steeds erger. De volgende dag was het zo erg dat mijn moeder besloot Jack en Jennie te bellen, want ze vond dat zij langs moesten komen. Rond half 7 waren Jack en Jennie in Enkhuizen. ‘Ze is helemaal niet ziek’, zei Jennie, ‘wat ziet ze er mooi uit en wat is ze lekker gegroeid!’. Mijn moeder vertelde hen dat Ria behoorlijk ziek was en dat de dokter gebeld moest worden. De dokter kwam rond half negen en verwees ons door naar het ziekenhuis. Toen we van de Wortelmarkt naar het ziekenhuis in de Vijzelstraat liepen, droeg mijn moeder Ria in haar armen. ‘Normaal’, zei mijn moeder, ‘als je iemand tilt wordt het steeds zwaarder, maar bij Ria lijkt het wel of ze steeds lichter wordt, alsof ze uit mijn armen vliegt.’ In het ziekenhuis werd Ria meegenomen naar de onderzoekskamer, na ongeveer een kwartiertje kwamen de artsen terug. Helaas hadden zij slecht nieuws voor ons, Ria was overleden aan dysenterie. Jack had op 1 broer en 2 nichten na, zijn hele familie verloren tijdens de oorlog, waarom zij ook nog?”

Na de bevrijding werden de meeste baby’s, die flink waren opgeknapt, opgehaald door hun ouders. Voor andere baby’s duurde de hereniging met hun ouders wat langer, sommige zijn zelfs nooit opgehaald en opgegroeid in Enkhuizen. Ook Sampie heeft hier een lange tijd doorgebracht, vertelt mevrouw Postma. “Mijn zus kon geen contact opnemen met de ouders, want we wisten niks over hen . Ze heeft zelfs overwogen het kind te adopteren omdat het zo lang duurde, Sampie kon inmiddels lopen! Uiteindelijk kwam de moeder van Sampie haar ophalen, ze nam haar mee zonder één woord te zeggen. Er kon geen bedankje vanaf, terwijl mijn zus toch ongeveer anderhalf jaar voor haar gezorgd heeft. We hebben er nooit meer wat van gehoord, we weten zelfs haar echte naam niet of waar zij vandaan kwam.”

De familie Veenstra heeft wel jarenlang contact gehad met de ouders van Ria, totdat deze het contact wilden verbreken. “Jack en Jennie wilden alles achter zich laten en het afsluiten.”

  Lees Meer